:: ARTIKELS ::
DVDInfo.be >> Artikel >> Interview >> TEN MOVIES MET CHRIS CRAPS
TEN MOVIES MET CHRIS CRAPS
Type: Interview - Datum: 2021-02-04 - Geplaatst door: Didier
TEN MOVIES MET CHRIS CRAPS

We overdrijven niet als we zeggen dat het leven van Chris Craps een beetje film is. Scenarist van De Bal, Science Fiction, Meisjes, Kruistocht In Spijkerbroek en Koning Van Katoren. Auteur van het boek De Geheimen Van De Cinema, en natuurlijk ook als filmjournalist bij Canal+, Radio 2, TV-Ekspres, Het Laatste Nieuws, Metro en sinds 1994 ook voor GVA en HBVL. Kortom de ideale persoon om die moeilijke vraag te beantwoorden: "welke tien films hebben een grote invloed op je leven gehad?"





Chris: "Tien films die indruk om me maakten? Een moeilijke opdracht, omdat er zeker tientallen zijn. Ik verslind immers al films sinds de late jaren '60. Maar naarmate je ouder wordt, voel je dat een regisseur of scenarist al heel origineel uit de hoek moet komen om je nog van je sokken te blazen. Het zal wel geen toeval zijn dat de films die een enorme impact op me hadden vooral (old school) films uit de jaren '70 zijn. Dat was niet alleen de periode van mijn tienertijd, maar ook de beste periode uit de (vooral) Amerikaanse filmgeschiedenis. Eigenlijk horen Lawrence Of Arabia, Il Conformista, The Godfather, The Godfather Part II, Chinatown, Jaws en Taxi Driver ook in dat lijstje thuis. Maar dat vond ik iets te voorspelbaar. Ik heb dan ook voor films – daarom niet de allerbeste – gekozen die bij de eerste visie zo’n onvergetelijke indruk hebben nagelaten dat ik het gevoel van die paar uur nog tot op de dag van vandaag levendig herinner."

THE WILD BUNCH (Sam Peckinpah, 1969)

Ik was al diep onder de indruk van Cross Of Iron, dat ik onmiddellijk na zijn release zag (in de Rubens in Antwerpen, denk ik). Niet lang daarna kreeg ik de 145 minuten-versie van The Wild Bunch – een spiksplinternieuwe kopie – te verwerken. Zoiets had ik nog nooit gezien. De manier waarop Peckinpah gebruik maakte van telelenzen, verschillende snelheden in de montage, melancholische muziek (van Jerry Fielding) als contrast en brutaal, maar esthetiserend geweld was overweldigend. En dan waren er die hele reeks van zeer memorabele momenten ("If they move, kill ‘em" gevolgd door "Directed by Sam Peckinpah", de aasgieren aangevoerd door Robert Ryan die de doden plunderden, de 'bunch' die naar Malapache marcheert, enz). De 'Bunch' heeft maanden in mijn hoofd gezeten en ik heb toen vrij snel bijna alles van Peckinpah gezien. Sam was geen doetje, maar wat een reus van een regisseur.




THE WIND AND THE LION (John Millius, 1975)

Deze satirisch-ironische avonturenfilm van John Millius wordt over het algemeen niet als een grote film beschouwd. Maar ik heb hem enorm veel gezien, omdat hij van bij de eerste visie tot de verbeelding van het jongentje in mij spreekt. Het is een extreem romantische film waarbij de enige liefdesverklaring eigenlijk een verwijt is ("You’re a lot of trouble.") en de geliefden na die verklaring elkaar nooit meer zullen zien. Daarnaast is het ook een zeer grappige film. Wanneer het Amerikaanse leger bij de Pasha van Tangier binnenstormt, dan reageert die hilarisch stoïcijns en de Raisuli heeft altijd wel een fantastische oneliner klaar (nadat hem een afgesneden tong werd toegestuurd: "Perhaps the previous owner had nothing pleasant to say.") John Millius kan overigens fantastische dialogen schrijven (Roosevelt: "I'd never shoot anyone accidentally. I need their votes.") Maar dit waar filmfeest wordt helemaal compleet gemaakt door de geweldige fotografie van Billy Williams, de fenomenale score van Jerry Goldsmith (zijn beste) en de übercharismatische vertolking van Sean Connery als berber met Schots accent. Je zou kunnen struikelen over de gung-ho politiek van Milius, maar in zijn hart is The Wind And The Lion een wonderlijk jongensavontuur annex paardenopera bekeken door het zoontje van Candice Bergen (duidelijk geïnspireerd door 55 Days At Peking). Je kan hem dan ook niet heel ernstig nemen. In mijn ogen is het een overheerlijke fun movie die men vandaag de dag niet zou durven maken. Een moslimbandiet als romantische held, weet je wel.




PSYCHO (Alfred Hitchcock, 1960)

Ik zag Psycho voor het eerst op televisie, ergens in de vroege jaren '70. Ik herinner me vooral dat ik bijna ruzie had met mijn moeder, die de zeer vervelende gewoonte had om plotwendingen en resoluties te spoilen, terwijl je nog aan het kijken bent. Mijn ma: "Het is die Bates die haar vermoord heeft." Ik: "Maar neen, het is zijn moeder. Ik heb het zelf gezien." Ik geloofde haar gewoonweg niet en dus bleef Psycho enorm spannend. Maar een paar jaar later zag ik de film opnieuw in de bios en ik heb hem sindsdien ontelbaar keer bekeken. Spannend was hij toen al lang niet meer, maar mijn aandacht ging helemaal uit naar andere dingen die Psycho veel rijker maakt dan de meeste huiverfilms: de structuur van het script, de fascinerende framing en de manier waarop Hitch speelt met de schizofrene aard van identificatie. Ik treed Brian De Palma helemaal bij als hij zegt dat Hitchcock een heuse filmgrammatica heeft uitgevonden. Daarom zou iedere filmstudent al de 53 films van de meester moeten zien.




THE LAST OF THE MOHICANS (Michael Mann, 1992)

Michael Mann is een van de intelligentste filmmakers die momenteel (nog) werkzaam is. Zijn koele, coole en geraffineerde misdaadfilms (denk aan Manhunter, Heat en – enkel qua toon een misdaadfilm – The Insider) dragen een heel persoonlijke stempel. Maar zijn meeste emotionele en zuiver visuele krachttoer is deze romantisch en hyperrealistische western. Mann is ook iemand die weet wat de impact van muziek is op beelden en in The Last Of The Mohicans verzoent hij de bloedmooie fotografie van Dante Spinotti met de adembenemende score van Trevor Jones (en een beetje Randy Edelman). De laatste sequence is puur beeld en muziek. Ik bekijk dit visueel festijn (de 117 minuten-cut) elk jaar opnieuw.




BARRY LYNDON (Stanley Kubrick, 1975)

Toch wel de mooiste film in kleur. Elke shot is een poster om in te kaderen. Ik vond het bovendien geweldig hoe Kubrick binnen een shot via inzoomen en herkadreren van het ene 'schilderij' naar het andere glijdt. Het knapste is echter hoe koel hij het hele verhaal van een geboren loser benadert, om dan in één scène (de dood van Barry’s kind) alle emoties te openbaren via de Sarabande van Händel. Maar eigenlijk is de film zoveel meer. Je kan heel wat essay’s schrijven over hoe hier geschiedenis wordt weergegeven. Ik was 15 of 16 jaar oud toen ik hem voor het eerst zag en de impact was nog groter dan toen ik op mijn 13de met 2001: A Space Odyssey kennismaakte. Die laatste film heeft me helemaal verslaafd gemaakt aan cinema, maar ik heb tegenwoordig moeite om hem te bekijken, tenzij op een heel groot scherm. Maar naar Barry Lyndon kan ik blijven kijken, zelfs op een kleiner scherm. Ik kan niet stoppen.




THE TREASURE OF THE SIERRA MADRE (John Huston, 1948)

De films van John Huston hebben me al van kindsbeen af aangesproken. Vooral omdat Huston zo’n belezen man was en een geboren verteller. Hij kende alles van subtext, wat hij op een geweldige manier bewees in The African Queen, een nu wat gedateerde film, maar met een ronduit indrukwekkende diepere laag. Maar Hustons meesterwerk is The Treasure Of The Sierra Madre, een western met een heel andere Bogart. Ik zag de film op mijn 10de in Duitse dub. Ik verstond er geen sikkepit van, maar de beelden vertelden alles. Ik heb hem later nog tientallen keren gezien en hij blijft fenomenaal.




BLUE VELVET (David Lynch, 1986)

Ik had anno 1986 al filmdromen of films met droomlogica gezien zoals Black Moon van Louis Malle en Eraserhead van Lynch, maar die waren, hoe geweldig ook, eerder bevreemdend en eng dan echt spannend. Blue Velvet zag ik de 'Sneak' in Leuven en was een complete verrassing. Ik wist totaal niets over de inhoud en werd helemaal meegesleurd in die gruwelijke droom van al te nieuwsgierige individuen (Kyle MacLachlan én de toeschouwer die zich met hem identificeert). De film van Lynch maakte me bewust dat er zoiets bestond als droomlogica in films en zijn specifieke droomtaal werd later nog dieper uitgewerkt in Lost Highway en Mulholland Drive, in mijn ogen mijlpalen in de filmgeschiedenis. Maar de enorm spannende ervaring die ik bij Blue Velvet had, heb ik daarna nog maar bitter weinig ervaren.




ALL THE PRESIDENT'S MEN (Alan J. Pakula, 1976)

Ik had het boek van Woodward en Bernstein, The Presidential Transcripts en The Making Of All the President’s Men al gelezen toen de film in België uitkwam. Ik was bezeten door Watergate en ook door de film. Het was een werk dat me inzicht gaf in hoe je een verhaal waarvan je de afloop al kent boeiend kan maken. Goldmans script vond ik zo fascinerend en ingenieus dat ik van dan af films begon te analyseren zoals ik nooit eerder had gedaan. Pakula’s film (eigenlijk Redfords baby) blijft 45 jaar later nog steeds fantastisch en voelt totaal niet gedateerd aan. Ik weet nog dan ik behoorlijk ontgoocheld was toen Rocky – een middelmatig melodrama dat me geen barst kon schelen – de Oscar voor Beste Film kreeg. Een tijdje geleden vernam ik dat All The President's Men de favoriete film is van Steven Soderbergh. Dat wil ik best geloven.




WAKE IN FRIGHT (Ted Kotcheff, 1971)

Ik ontdekte deze film toevallig op VHS toen ik al een paar maanden in Melbourne vertoefde. Ik had vele jaren eerder klassiekers zoals Picnic At Hanging Rock en Walkabout gezien en vond in tegenstelling tot mijn Aussie-vrienden Australische films uitermate interessant. Ik trok dagelijks naar de plaatselijke videotheek om een drietal Down Under-films te screenen. Ik dacht eerst dat Wake In Fright, waar ik overigens nog nooit van had gehoord, een Canadese film was, omwille van Kotcheff – de regisseur van de enige goeie Rambo-film – maar toen ik een kangoeroe op de hoes zag, was ik verkocht. Een behoorlijke schok toen ik hem zag. Hier werd een heel ander en gitzwart beeld van Australië geschetst en de film spookte vooral door mijn hoofd omdat ik een week eerder in de buurt was geweest van Broken Hill, waar de film opgenomen werd. Maanden later toen ik terug in Europa was, bleek niemand de film te kennen. Lawrence Bender vertelde me jaren later tijdens een interview midden jaren '90 dat zelfs Tarantino hem (toen toch) niet gezien had. Nog enkele jaren later werd hij dan uiteindelijk 'herontdekt' en wordt hij algemeen beschouwd als een van beste films van Aussie New Wave. Heel straffe film.




BAD TIMING (Nicolas Roeg, 1980)

Ik was al door Walkabout en Don’t Look Now een grote fan van Nicolas Roeg, maar Bad Timing werd de ultieme Roeg-ervaring. 'Een zieke film', zo beschreef de Britse distributeur (Rank) zijn eigen film. Waarschijnlijk was de man geen baanbrekende cinema gewoon. De manier waarop Roeg via een heel eigenzinnige en gebroken structuur en heel aparte montage verbanden legde tussen spionage, psychologische kwelling, manipulatie en seksuele obsessie had ik nog nooit eerder gezien. Mijn idee van mogelijkheden in de cinema werd nog maar eens overhoop gegooid. En dan die geweldige casting: Art Garfunkel met zijn fluwelen stem als perverse intellectueel tegenover bloedmooie Theresa Russell als zijn gekweld slachtoffer. Er zijn vergeten meesterwerken, maar Bad Timing werd een geboycot meesterwerk. En ik vermoed dat het nog zo’n film is die men anno 2021 niet meer zou durven maken.





(C) CCBVBA (foto)