:: BESPREKINGEN ::
DVDInfo.be >> Bespreking >> DA VINCI FILES, THE
DA VINCI FILES, THE
Bespreking door: William - Geplaatst op: 2007-01-28
DOCUMENTAIRES
Dat de hype over Dan Brown's The Da Vinci Code niet is uitgeraasd met het verschijnen van de gelijknamige film in 2006, bewijst de Nederlandse dvd-uitgever House Of Knowledge met de release van The Da Vinci Files, een verzameling van drie documentaires van o.a. het gerenommeerde The History Channel, over Brown's controversiële bestseller. In Beyond The Da Vinci Code bespreekt regisseur Will Ehbrecht de omstreden beweringen van de auteur en de onorthodoxe manier waarop hij feiten, mythes, legenden en fantasie tot een nieuw verhaal smeedt. Opus Dei & The Da Vinci Code is een zoektocht naar de waarheid over de katholieke sekte Opus Dei (Het Werk Van God), een organisatie die door Dan Brown in zijn boek wordt bestempeld als het geheimzinnige genootschap dat er alles aan doet om de zgn. Sangreal-documenten over de bloedlijn van Jezus Christus in handen te krijgen en te vernietigen. Leonardo Da Vinci, die centraal staat in Dan Brown's The Da Vinci Code, is het boeiende en eigenzinnige portret van de man die algemeen beschouwd wordt als de grootste kunstenaar die ooit heeft geleefd.

1.Beyond The Da Vinci Code
In deze documentaire worden de beweringen van Dan Brown systematisch overlopen en tegen het licht gehouden. Alles draait om de zoektocht naar de Heilige Graal, een legende die in de meeste West-Europese landen sinds de Middeleeuwen wordt verteld en die een traditioneel onderdeel is geworden van de alternatieve geschiedenis van onze gewesten. Dat de mythische Graal tot het voorstellingsvermogen spreekt van een groot aantal West-Europeanen én Amerikanen, bewijzen de tientallen publicaties die in de voorbije 100 jaar aan het onderwerp zijn gewijd. De Heilige Graal is volgens de enen de kelk van het Laatste Avondmaal, volgens de anderen de kelk waarin het bloed van Christus aan het kruis werd opgevangen; voor nog anderen is de Graal een geheim document waarvan de inhoud de bestaansgeschiedenis van de katholieke kerk ondergraaft, een goudschat, etc. Dan Brown bouwt zijn verhaal over de Graal op een aantal teksten uit de Gnostische Evangeliën, dat is een verzameling onbekende geschriften die in 1945 in het plaatsje Nag Hammadi (Egypte) werden ontdekt en die de evangeliën bevatten van Filip, Thomas en Maria. Uit die boeken zou een intieme relatie blijken tussen Jezus en Maria Magdalena, niet de hoer – dat was een andere vrouw -, maar één van de vrouwen rond Maria die Jezus tijdens zijn prediking volgden, voor de dagelijkse beslommeringen zorgden en de rondtrekkende caravan financieel steunden. Volgens Brown was Jezus met Maria Magdalena getrouwd en hadden ze een dochter Sarah, die na de kruisdood in Egypte werd geboren.

Maria Magdalena zou op aanraden van Jozef van Arimatea zijn uitgeweken naar de grote en belangrijke Joodse gemeenschap van Alexandrië in de hoop er bescherming te vinden tegen de moordenaars van haar echtgenoot. Volgens een Franse legende uit het jaar 900 scheepte Maria Magdalena en haar gezelschap in 42 na Chr. in met als bestemming de Romeinse provincie Gallië (het huidige Zuid-Frankrijk) en werd haar dochter Sarah er uitgehuwelijkt aan een telg van de plaatselijke adel, stamvaders van de Merovingse dynastie. Dat mythische koningshuis regeerde ruim driehonderd jaar over Frankrijk, tot in 751. Met het verdwijnen van de koninklijke Merovingse dynastie werd uitgekeken naar een manier om documenten (en dus het geheim) over de bloedlijn van Christus in veiligheid te brengen. Daarvoor zou in 1099 de Priorij van Sion zijn gesticht door Godfried van Bouillon in Jeruzalem. De Priorij deed een beroep op verarmde ridders om haar belangen te verdedigen: de Tempeliers. Toen die op vrijdag 13 oktober 1307 (vandaar vrijdag de 13de!) in één en dezelfde nacht in Spanje, Italië, Frankrijk en Engeland werden uitgemoord op bevel van de Franse koning en de paus van Rome, ging de beweging ondergronds. Hun zgn. schat, de Sangreal-documenten (San-greal, Heilige Graal of Sang Real, Koninklijk Bloed), geroofd uit de tempel van Jeruzalem tijdens de kruistochten, bleven gespaard en belandden via de Katharen van Montségur in de handen van Leonardo Da Vinci, één van de latere grootmeesters van de Priorij. Van Italië gingen de documenten naar Parijs en later naar Londen (de Tempelkerk, waar de stichtenden leden van de Tempeliersorde begraven liggen) en uiteindelijk naar de Rosslynkapel in Schotland. Aldus Dan Brown.

De maker van Beyond The Da Vinci Code, regisseur Will Ehbrecht, vertelt bij elk onderdeel van zijn documentaire de versie van Dan Brown en vervolgens laat hij Richard Leigh aan het woord, de auteur van Holy Blood, Holy Grail, een zgn. wetenschappelijk verantwoorde uitgave uit 1982 waarin de bloedlijn van Jezus en diens huwelijk met Maria Magdalena voor het eerst onder de aandacht worden gebracht. Leigh is een believer, zij het met hier en daar een kritische opmerking over de aanpak van Brown. Andere auteurs van werken over legenden en mythen uit de Middeleeuwen (Timothy Freke & Margaret Starbird) treden Brown dan weer bij op andere punten en zijn zelfs gematigd enthousiast over sommige van zijn stellingen. Gelukkig is dit een documentaire voor The History Channel en laat Ehbrecht ook nuchtere universiteitsprofessoren met een grondige kennis van het basismateriaal aan het woord. Hun kritiek is vernietigend voor Dan Brown, soms omdat hij pure verzinsels als realiteit presenteert (Les Dossiers Secrèts, waarvan al 30 jaar bekend is dat ze in 1956 door een nationalistische Parijzenaar zijn vervalst), andere keren omdat hij tussen groeperingen uit verschillende eeuwen verbanden legt waarvoor helemaal geen bewijsmateriaal bestaat (de band tussen de Tempeliers en de Vrijmetselaars of het lidmaatschap van de eenzaat Da Vinci van de Priorij van Sion), andere keren omdat hij gewoon dingen heeft verzonnen om zijn zgn. waarheden aan elkaar te koppelen (de Rozenlijn in de Parijse St. Sulpice loopt niét door Rosslyn in Schotland en werd ook nooit zo genoemd; bovendien heeft ze ook niets met de tijdslijn van doen). De meeste kritiek is er op Browns methode om systematisch feiten en fictie met elkaar te vermengen, waarbij men gemakshalve vergeet dat Brown nooit de bedoeling heeft gehad om een historische en wetenschappelijk verantwoord boek te schrijven, maar een puur commerciële bestseller. Maar dat terzijde.

Waarom The Da Vinci Code tot een fenomeen is uitgegroeid komt eveneens aan de orde. Het boek van Brown heeft in de westerse wereld voor een nooit eerder geziene discussie gezorgd over het ontstaansproces van de katholieke kerk, met verdachtmakingen omtrent de bedoelingen van de eerste kerkvaders op het Concilie van Nicea in 325, waar men de verering van Maria Magdalena verbood en haar tegelijk het statuut van heilige gaf. De idee dat ze een prostituee was werd door het Vaticaan pas in 1969 als een vergissing bestempeld. Het Concilie van Nicea blijft een belangrijk punt van discussie. Voor de eerste keer kwamen vertegenwoordigers van alle christelijke sekten bij elkaar om één document samen te stellen waarin iedereen zich kon vinden: de Bijbel. Wie er nadien nog afwijkende ideeën op na hield werd als ketter gebrandmerkt en vervolgd. Toch is het niet zo dat de zgn. Gnostische Evangeliën op het Concilie bewust zijn geweerd. Nergens staat iets dergelijks geschreven in de werkdocumenten die daarover zijn bewaard. De huidige Bijbel kreeg trouwens pas zijn definitieve vorm 42 jaar na het Concilie.

Over de relatie van Jezus met Maria Magdalena zijn onvoldoende documenten beschikbaar om conclusies te trekken. Wél wordt in de vier officiële evangeliën meermaals gewezen op Maria Magdalena's vooraanstaande positie in het Jezusverhaal: zij was er tijdens de prediking bij, zij stond aan het kruis tijdens de kruising, zij was de eerste aan wie hij na de verrijzenis verscheen. Er wordt vaak gewezen op de gelijkenis met het heidens, uit Egypte stammend godenepos van Isis en Osiris, en de mogelijkheid dat de beginnende kerk een verband tussen beide wilden vermijden, maar dat zijn speculaties. Wellicht is de waarheid veel eenvoudiger en toevalliger dan wij als ontwikkelde wezens willen en kunnen aanvaarden. Soms worden gebeurtenissen het onderwerp van een legende, zegt schrijfster Margaret Starbird daarover in de documentaire, omdat de waarheid te gevaarlijk is. Het klinkt als een acceptabele conclusie.

2. Opus Dei & The Da Vinci Code
In deze documentaire neemt de voormalige Opus Dei-medewerker Mark Dowd de kijker mee langs een aantal taferelen uit Dan Bowns The Da Vinci Code en meer bepaald de fragmenten uit zijn boek die betrekking hebben op het Opus Dei. Down interviewt gelijkgestemden, ex-Opus Deiers die de katholieke sekte hebben verlaten wegens negatieve ervaringen; hij praat met fervente verdedigers en kopstukken van de beweging, laat critici aan het woord en praat zelfs met de aartsbisschop van Westminster die de omstreden beslissing nam om in Noord-Londen een parochie toe te wijzen aan een priester van het Opus Dei, waarmee de sekte voor het eerst op het niveau van de gewone kerkritus voet aan de grond kreeg.

Eén ding is duidelijk aan het eind van deze documentaire: het Opus Dei had zich geen betere reclame voor de eigen zaak kunnen bedenken dan de publicatie van The Da Vinci Code. Het was beslist niet Dan Browns bedoeling, maar zijn wereldbestseller heeft er voor gezorgd dat 70 miljoen lezers de naam van de sekte ondertussen kennen. Het Opus Dei dat zijn leden bij voorkeur rekruteert uit goed opgeleide milieus van intellectuelen, zakenlui en de hogere kerkelijke clerus, is niet bij de pakken blijven zitten en gebruikt Browns onnauwkeurigheden en verzinsels ondertussen als een wapen. De informatieavonden van de beweging in Amerika worden druk bezocht door Da Vinci-lezers en hoewel er geen sprake is van directe rekrutering, is er minstens sprake van beïnvloeding en positieve beeldvorming.

De groei van het Opus Dei is misschien nog het meest verontrustende onderdeel van de documentaire. Ontstaan in Spanje in 1928 groeide de beweging snel, mede door de gunstmaatregelen van het fascistische Franco-regime (minstens 8 ministers waren lid van Opus Dei). In de jaren '60 sijpelde de leer van stichter Jozefmaria Escrivá de Balaguer door in West-Europa. In de jaren '70 en '80 waren er geruchten en aantijgingen over misbruik van vertrouwen, hersenspoeling, flagellatie (geseling) en financieel gesjoemel. In 1982 kreeg het Opus Dei van Johannes Paulus II het statuut van personele prelatuur van de katholieke kerk, waarmee ze doordrong tot de hoogste niveaus in het Vaticaan. Het conservatieve gedachtegoed van de beweging sprak de paus aan. Bovendien was het volgens zijne hoogheid de hoogste tijd om West-Europa opnieuw te kerstenen: het missioneringwerk van het Opus Dei kwam wat dat betreft op het goede moment. Maar dat is niet het slot van de Opus Dei-saga: 17 jaar na zijn dood (1975) werd Jozefmaria Escrivá zalig verklaard en in 2002 kreeg hij het statuut van heilige. De ceremonie in Rome werd bijgewoond door gelovigen uit 80 landen. Volgens critici had de beweging de titels gekocht, want de bank van het Vaticaan had dringend geld nodig na de schandalen omtrent het faillissement van de Italiaanse Banco Ambrisano (1982) die geld van het Vaticaan én de Maffia zou hebben belegd in Zuid-Amerika. De Heilige Stoel verloor toen naar verluidt tussen 600 miljoen en anderhalf miljard Dollar. Het weze duidelijk: waar rook is, is er ook vuur en het is een bekend feit dat het Opus Dei vooral daar aanwezig is waar macht, geld en intelligentie elkaar ontmoeten.

Van de spielereien in Dan Browns boek blijft niet veel meer over dan brandhout na Mark Dowds bezoek aan het hoofdkwartier van het Opus Dei in New York waar hij een ontmoeting heeft met de vriendelijke zaakvoerder van het 40 miljoen Dollar kostende complex, John Velaro en na een uitvoerig gesprek met de vrouwelijke numerair Eileen Cole, leidster van een geestelijk centrum van het Opus Dei, over het gebruik van de cilice, de gordel van kippengaas met aan één kant scherpe puntjes die de leden minstens twee uur per dag op het dijbeen dragen. Dat het bloed nadien met beken stroomt zoals bij de albino monnik Silas uit Dan Browns roman, noemt deze minzame dame een literaire dramatisering en ze voegt eraan toe nog nooit te hebben gebloed na het dragen van de cilice. Waarom Escrivá zijn leden zo nodig de cilice en de zweep aanbeveelt is onduidelijk, volgens ex-Opus Deier Vladimir Felzman is hun doelmatigheid in elk geval nihil ter bestrijding van seksuele opwinding. In Chicago bezoekt Dowd het Midtown Center, geleid door numerair Art Thelan, en stelt vast dat het hier gaat om een zomerkamp voor achtergestelde (zwarte) jongeren die er de nodige bijlessen krijgen met het oog op betere schoolcijfers. Het is een goed en sociaal verantwoord project, zegt Vladimir Felzman over het initiatief, maar je weet nooit wat er achter die façade schuil gaat. Mark Dowd onderzoekt de vooroordelen die er bestaan over het Opus Dei en de verdachtmakingen van Dan Brown. Hij stelt vast dat de werkelijkheid er – tenminste voor een stuk – anders uitziet. Maar hij is op zijn hoede: het Opus Dei wordt er niet minder gevaarlijk om en het stapt wegens de hele heisa zeker niet af van zijn geheime agenda.

3. Leonardo Da Vinci
In deze documentaire van The History Channel uit 1996 hangt regisseur Molly Thompson een bijzonder origineel en niet altijd even flaterend portret op van de schilder van de Mona Lisa en Het Laatste Avondmaal. Leonardo Da Vinci is in onze tijd een bijna mythische figuur met bovenmenselijke proporties. Deze documentaire zoekt evenwel de man achter de mythe, om het met een cliché uit te drukken. Aan de hand van historisch bronnenmateriaal bewijst Thompson dat het niet allemaal goud was wat blonk en dat Da Vinci zijn levenlang een bittere strijd heeft geleverd tegen sponsors en collega's om te overleven.

Da Vinci werd op het platteland in de buurt van Firenze geboren. Hij verbleef aanvankelijk in het huis van zijn moeder en verkaste later naar Firenze waar zijn vader woonde. Als buitenechtelijk kind kreeg hij een eenvoudige plattelandsopleiding. In Firenze ging hij aan de slag als schildersgezel in het atelier van Andrea del Verrocchio en verbaasde de man 5 jaar later met het portret van een engel op één van diens schilderijen: een zijaanzicht, een methode die tot dan toe nog nooit was gebruikt. Del Verrocchio zou nooit meer schilderen. Da Vinci's interesse was evenwel veel breder dan de schilderkunst. Zijn grote passie was de natuur en die tekende hij in zijn schetsboeken met de grootste precisie: planten, takjes, bomen, paarden en vogels. Ook techniek hield hem bezig en in een land dat verscheurd werd door kleine schermutselingen en grote conflicten tussen stadstaten kregen zijn ontwerpen van wapentuig allerhande veel aandacht. Op z'n dertigste verhuisde Da Vinci naar Milaan waar hij voor de Sforza's werkte. Na de inval van de Fransen trok hij zich terug in Firenze en trad er in dienst als ingenieur bij de familie Borgia. Zijn carrière was er één van vallen en opstaan, grootse projecten en evenveel tegenslagen. Da Vinci was met te veel tegelijk bezig en hij kwam niet altijd zijn afspraken na, liet opdrachten onafgewerkt en haalde zich de vloek van zijn sponsors op de hals.

In 1513 trok Da Vinci naar Rome, in de hoop er mee te kunnen werken aan de verfraaiing van de nieuwe Vaticaanse gebouwen. Maar in Rome trof ie twee indrukwekkende concurrenten: Rafaël en Michelangelo, kunstenaars met een grote renommee en tegelijk betrouwbare vaklui. Voor Leonardo Da Vinci waren ze een klasse te groot. Toen Frans I, koning van Frankrijk, hem een aanbod deed, ging Da Vinci daar gretig op in (1516). Hij overleed drie jaar later in het kasteel van Amboise.

Toch zou de geschiedenis zeer mild over Da Vinci oordelen: zijn Mona Lisa is het beroemdste en meest bezochte schilderij ter wereld en zijn Het Laatste Avondmaal geldt als hét meesterwerk van de Renaissance, naast Michelangelo's beschilderde plafonds in de Sixtijnse kapel. Da Vinci was geen uitzonderlijk talent voor zijn tijd. Ook andere intellectuelen interesseerden zich voor de natuur, de ontwikkeling van wapentuig en de menselijke natuur in al zijn verschijningsvormen. Da Vinci was wél op elk terrein dat hij betrad uitzonderlijk creatief. Zijn schetsen voor een machine die op een helikopter lijkt waren ingenieus en origineel, ondanks het feit dat het tuig wellicht nooit van de grond zou komen, en hij besefte dat vleugels niet volstonden om een mens te laten vliegen, maar dat er ook aandrijving nodig was. Indrukwekkend is ook zijn fietsontwerp, mét twee wielen, pedalen en ketting, zoals de klassieke fiets er tegenwoordig uitziet. Op het vlak van het menselijk lichaam was Da Vinci een oorspronkelijke geest: hij liet zich lijken bezorgen die hij heel precies openmaakte. De resultaten zette hij op papier met een verbazingwekkende precisie. Zo ontdekte hij dat aderverkalking tot de dood kan leiden. Zijn medische experimenten brachten hem overigens in problemen en voor de tweede keer in zijn leven werd hij door de kerkelijke autoriteiten aangeklaagd. Lijkenverering werd hem ten laste gelegd, een proces dat met een sisser afliep, maar dat diepe sporen naliet en zijn afkeer van de maatschappij nog versterkte.

Eerder, toen hij vierentwintig was, werd Leonardo Da Vinci in zijn geboortestad Firenze al een eerste keer aangeklaagd voor sodomie. Ook dat proces eindigde onbeslist wegens gebrekkig bewijsmateriaal, maar Da Vinci was geschandaliseerd en verbitterd. Alhoewel, de aanklacht was wellicht niet helemaal naast de kwestie, want uit de schetsboeken van de meester blijkt een bijzonder grote interesse voor het mannelijke lichaam en tot op hoge leeftijd omringde hij zich bij voorkeur met een schare van jonge, aantrekkelijke leerlingen die in minstens twee gevallen tot in Amboise aan zijn zij bleven. Volgens roddel uit de kleine historie zou Da Vinci overigens in de armen van Frans I zijn gestorven.

BEELD EN GELUID
De kwaliteit van deze drie documentaires is bijzonder goed, waarbij Opus Dei & The Da Vinci Code de meeste aandacht trekt met een bont palet van (digitale) pastelkleuren in de buitenopnamen, een effect dat bijv. ook in Tsotsi van Gavin Good is gebruikt om de sfeer te dramatiseren. In de documentaire zorgt het procédé voor een geheimzinnige en claustrofobische sfeer. Het beeld is verzorgd en scherp van textuur zonder opvallende beschadigingen en ongerechtigheden. Beyond The Da Vinci Code heeft een stereo-geluidstrack. De andere documentaires hebben een 5.1-track met een efficiënt en aantrekkelijk surroundeffect, heel uitzonderlijk voor dit soort tv-documentaires. Minpuntje: op dvd2 en dvd3 reageert het selectiescherm niet op de afstandbediening, ook niet na het vervangen van de batterijen. De klank kan dan weer wél worden bijgesteld, maar noch de starttoets van de film, noch die van de ondertitels reageert op het indrukken van de knopjes. Uw dienaar heeft beide documentaires dan maar via de dvd-speler gestart en ze zonder ondertitels bekeken. Op de computer lukt het wél om de ondertitels te activeren.

EXTRA'S
Op disc 2 staat een serie interviews in verband met het Opus Dei. Soms zijn het uitgebreide versies van interviews die ook in de documentaire zijn gebruikt. Het interview met John Valero, de directeur van Opus Dei UK, blijft ook in zijn integrale versie belangwekkend (9 min.). Ook boeiend is het interview met Tammy & Dianna DiNicola van het Opus Dei Awareness Network, een moeder en haar dochter die slachtoffers van het Opus Dei opvangen en het dramatische verhaal doen van de ervaringen van Dianna nadat die op haar 18de tot de beweging toetrad. (9 min.). Het interview met John Allen, auteur van het boek Opus Dei, is een scherpe analyse van de bedoelingen van de sekte. Allen bestudeerde jarenlang de boekhouding van Opus Dei en komt tot verrassende conclusies (11 min.)

In het interview met Vladimir Felzman, Opus Dei-numerair van 1959-81, wordt van gedachten gewisseld over de flagellatiepraktijken van de sekte en de verborgen agenda (8 min.). Zeer de moeite is ook het interview met Kardinaal Cormac Murphy-O'Connor van het bisdom Westminster over de eerste Opus Dei-parochie in Noord-Londen (7 min.). Van het interview met Sarah Cassidy, algemeen directeur van Opus Dei (9 min.), het interview met Peter Bancroft, persattaché van Opus Dei (9 min.) en het interview met Helen Kraus, plastisch chirurg (9 minuten), zijn in de documentaire geen uittreksels overgehouden, maar vooral het laatste interview is zeer de moeite.

CONCLUSIE
Hoewel The Da Vinci Files ruim na de verfilming en de bioscoopgang van Dan Browns The Da Vinci Code op de markt wordt gebracht, is er voldoende reden om deze driedubbele dvd niet te veronachtzamen. Het materiaal is boeiend en bij momenten verrassend en in het geval van Opus Dei en Leonardo Da Vinci zelfs origineel en leerrijk. De documentaires zijn vlot gemaakt en beeldrijk en ze slagen daar waar Dan Brown uiteindelijk faalt: ze vertellen een verhaal dat puur op controleerbare feiten is gebaseerd, zonder frivoliteiten of verzinsels. Na de hype over The Da Vinci Code is de tijd rijp om het kaf van het koren te scheiden. Waar eerdere documentaires in dit genre zich vooral lieten meezuigen door het Dan Brown-effect, kiezen The History Channel en Channel 4 voor een volwassen en beredeneerde benadering. Een verademing.


cover




Studio: House Of Knowledge

Regie: Will Ehbrecht, Jeremy Jeffs, Molly Thompson
Met: Richard Leigh, Karen Ralls, Timothy Freke, Margaret Starbird, Dan Burstein, George Gorse, Mark Dowd, Sarah Cassidy, John Valero, Eileen Cole, Vladimir Felzman, John Allen, Art Thelan

Film:
8/10

Extra's:
6,5/10

Geluid:
8,5/10

Beeld:
9/10


Regio:
2

Genre:
Documentaire

Versie:
Benelux (NL)

Jaar:
2005-1996

Leeftijd:
AL

Speelduur:
183 min.

Type DVD:
SS-SL


Beeldformaat:
1.33:1 & 1.78:1 PAL

Geluid:
Engels Dolby Digital 5.1
Engels Dolby Surround 2.0

Ondertitels:
Nederlands
Extra's:
• Interviews (70 min.)

Andere recente releases van deze maatschappij