Regie: Jacques Nolot
Met: Jacques Nolot, Jean-Pol Dubois, Marc Rioufol, Bastien d’Asnières, Bruno Moneglia, David Kessler, Jean Pommier,, Lyes Rabia, Lionel Goldstein, Bernard Herlem
Het personage Pierre Pruez gaat in de Franse cinema al een tijdje mee. Regisseur Jacques Nolot schreef nl. al in 1983 een semi-autobiografisch theaterstuk dat zijn collega André Téchiné (Les Témoins, Les Temps Qui Changent) als La Matiouette Ou L’Arrière-Pays verfilmde over de mannelijke prostitué Alain Pruez (Jacques Nolot) die terugkeert naar zijn geboortedorp in het Franse binnenland. In 1991 maakte Téchiné J’Embrasse Pas, waarin hij vertelt over de aankomst van de 17-jarige prostitué in Parijs, vele jaren eerder, een productie waarvoor Jacques Nolot opnieuw het semi-autobiografische scenario leverde. In 1998 staat Jacques Nolot zelf achter de camera voor L’Arrière Pays, waarin hij de rol van de homo Jacqui voor zijn rekening neemt, het eerste deel van wat een autobiografische trilogie moet worden. In 2002 regisseert hij La Chatte À Deux Têtes waarin hij een 50-jarige homo speelt die een relatie begint met de jonge medewerker van een pornotheater. Ondertussen hebben Alain en Jacqui plaats gemaakt voor Pierre, maar voor ingewijden is het duidelijk dat het om één en hetzelfde personage gaat.
Pierre Pruez is een gigolo op zijn retour. Hij ziet er nog vrij goed uit, maar als Nolot hem (zichzelf dus) in de keuken van zijn Parijse appartement in zijn nakie toont tijdens het zetten van een bakje koffie, dan wordt het voor de kijker duidelijk dat z’n beste dagen voorbij zijn: een beetje kalend, een hangbuikje en veel huid op een uitgeteerd lichaam. Pierre heeft zich niet gespaard al die jaren: drank, sigaretten en onbeschermde seks, met HIV sinds meer dan twintig jaar tot gevolg, hebben hun tol geëist. Voor de kost is hij gaan schrijven, met succes, maar de laatste tijd gaat ook dat hem niet meer zo goed af. Z’n beste klant sinds 30 jaar is onlangs overleden en van de beloofde erfenis is niets in huis gekomen. Van de levensverzekering die voor hem ooit werd afgesloten, kan hij zich wat luxe permitteren, maar hij leidt niet het leven dat hij zich als jonge en succesvolle gigolo had voorgesteld. Meestal ligt hij wat lusteloos op de bank thuis of bij z’n psychiater, maar veel vooruitgang is er niet. Hij is aangewezen op enkele oude bekenden uit het milieu voor een weinigzeggend praatje af en toe, en voor een anale beurt met een jonge gigolo telt hij om de week honderd euro neer. De rest van de tijd zit hij kettingrokend aan de schrijftafel over zijn teksten gebogen, of luncht hij met David (Marc Rioufol), veertiger, ex-bajesklant en gearriveerd gigolo, die hij na meer dan dertig jaar bij een vriend tegen het lijf loopt.
Jacques Nolot schildert een weinig fraai portret van zijn hoofdpersonage Pierre Pruez, een vereenzaamde vijftiger die z’n dagen slijt in de uitgewoonde kamers van zijn Parijse flat. In het halfduister schuifelt hij van de woonkamer naar de keuken, zonder doel of zingeving, en in gezelschap geeft hij blijk van sarcasme en zelfbeklag, zij het dat hij tegelijk het hoofd hoog draagt en zich na een zeldzaam complimentje de jeune premier van weleer voelt. Is mijn haarlijn niet verschoven, vraagt hij bezorgd om zijn uiterlijk, zie je geen rimpels langs mijn ooghoeken? Maar de wilde jaren hebben uiteraard sporen nagelaten en de HVI-infectie heeft zijn fysiek ondermijnd. Wat hem rest, is het lot van elke oudere gigolo: een jongere collega betalen voor zijn diensten en proberen om te behagen, ook als dat indruist tegen z’n principes. Als de kijker een hele film lang weinig sympathie voor Pierre Pruez heeft kunnen opbrengen, dan wordt hij in elk geval door de regisseur in de eindscène voor de verscheurende keuze geplaatst: afkeer of toch een snipper medelijden en/of medeleven.






